![]() |
Artikelen |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
Onderstaand treft u artikelen aan over de volgende onderwerpen: Autobijtelling weer gewijzigd Met ingang van 2001 is ook de bestelauto onder de bijtelling gebracht. Na luide protesten uit het bedrijfsleven is de regeling verzacht. Maar de regeling bleek te ingewikkeld om te kunnen worden gehandhaafd. Omdat de regering de administratieve lasten voor het bedrijfsleven wil beperken, krijgen we in 2004 een eenvoudiger regeling. Als tenminste de plannen doorgaan, hetgeen zeer waarschijnlijk is. Wat gaat er allemaal veranderen? Allereerst wordt de regeling afgeschaft op grond waarvan woon-werkverkeer als privé-gebruik wordt aangemerkt. Dit brengt voor personen die ver van hun werk wonen en kunnen aantonen de auto niet of nauwelijks privé te gebruiken, weer de mogelijkheid met zich mee onder de bijtelling uit te komen. Momenteel kent de wet voor personenauto's drie bijstellingspercentages: 15%, 20% en 25%. Met ingang van 2004 worden deze percentages vervangen door één percentage: 22%. De ingewikkelde regeling die gold voor bestelauto's komt te vervallen. Voor deze categorie auto's gaat in principe dezelfde regeling gelden als voor gewone auto's. Als de (bestel)auto aantoonbaar alleen voor woon-werkverkeer wordt gebruikt, blijft een bijtelling achterwege. Wordt de (bestel)auto ook privé gebruikt, dan geldt de bijtelling van 22% van de cataloguswaarde. Dit betekent een belangrijke vereenvoudiging. Wel zal de nieuwe wijziging weer de nodige onrust veroorzaken, omdat veel zakenautorijders hun fiscale positie opnieuw zullen willen bepalen. Zo blijf je bezig met taxplanning. Hopelijk blijven verdere wijzigingen voorlopig achterwege. Over taxplanning gesproken, moet nog worden gewezen op het
feit dat de onbelaste vergoeding voor zakelijk gereden kilometers met
een privé-auto maximaal € 0,18 zal mogen bedragen. Deze bedraagt
nu nog € 0,28. Dit is het slechte nieuws. Het goede nieuws is dat
deze belastingvrije vergoeding voortaan ook mag worden gegeven voor woon-werkverkeer.
De beperking tot een afstand van 30 kilometer wordt geschrapt. De verlaging
van de onbelaste kilometervergoeding zal invloed kunnen hebben op de afweging
of het fiscaal voordelig is in een auto van de zaak te rijden of in een
privé-auto. Overleg dit zonodig met uw belastingadviseur. Nederland is één van de weinige landen waar gemeenschap van goederen hoofdregel is. Voor personen die trouwen zonder via de notaris huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt, ontstaat gemeenschap van goederen. Dat wil zeggen, één gemeenschappelijk vermogen. Op deze manier kan men rijk worden zonder te werken en zonder de hoofdprijs in de lotto te winnen. De keerzijde is dat de rijke partner door te trouwen in gemeenschap van goederen gevolgd door echtscheiding de helft van zijn vermogen kwijtraakt. In de zomer is een wetsvoorstel ingediend waardoor het vertrouwde systeem van gemeenschap van goederen een drastische wijziging zal ondergaan. Bedoeling is het oude systeem aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen en het gewijzigde rechtsgevoel. Hieronder stip ik enkele belangrijke punten aan. Geen huwelijksvoorwaarden betekent ook in de nieuwe wet gemeenschap van goederen. Buiten de gemeenschap zal echter vallen hetgeen de partners bij het huwelijk hebben aangebracht en tijdens het huwelijk hebben geërfd of krachtens schenking hebben verkregen. Wil men hetgeen bij het huwelijk is aangebracht tot de gemeenschap later behoren, dan moet dit vóór het huwelijk in een notariële akte worden vastgelegd. Volgens het wetsvoorstel zijn de echtgenoten verplicht elkaar tijdens het huwelijks wederzijds te informeren over de stand van hun goederen en schulden. Stel dat één van de partners een bedrag ter beschikking stelt aan de andere partner, die daarmee op eigen naam een woning koopt. Dan krijgt de andere partner een vergoedingsrecht dat gelijk is aan een evenredig deel van de waarde van de woning. Als de woning gemeenschappelijk wordt gekocht, krijgt de partner die meer heeft bijgedragen dan de andere partner voor het verschil een vergoedingsrecht van de ander. Dit zal wel enige administratieve arbeid noodzakelijk maken. Een belangrijke wijziging betreft ook de gevolgen van faillissement van een huwelijkspartner. Momenteel trekt een partner die failliet gaat de ander met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd mee. Onder de nieuwe regels kunnen de schuldeisers van een partner zich slechts verhalen op zijn eigen vermogen plus op de helft van het gemeenschapsvermogen. Met andere woorden, de partner die niet failliet gaat, behoudt zijn/haar eigen vermogen en het aandeel in het gemeenschapsvermogen. Niet duidelijk is wanneer het wetsontwerp precies in werking
treedt. Dat zal nog wel enige tijd kunnen duren. Voor bestaande huwelijksgemeenschappen
geldt een uitzondering op de nieuwe regel. Wat de partners hebben geërfd
of geschonken gekregen valt daarbij in de gemeenschap. Omdat de meeste
huwelijken nog steeds zonder huwelijksvoorwaarden worden aangegaan, raakt
het wetsontwerp zeer velen. Reeds in 1995 heeft de Hoge Raad bepaald dat, indien de
ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de rechter wordt gevraagd, deze
een discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet een ontbindingsvergoeding
(volgens de kantonrechterrichtlijn) toe te kennen. Het betrof een zaak
waarbij de rechter de arbeidsovereenkomst had ontbonden van een werknemer
en daarbij geen enkele vergoeding aan de werknemer had toegekend. En dit
terwijl de werkgever zich wel bereid had verklaard om een vergoeding te
betalen. De werknemer ging in cassatie bij de Hoge Raad, maar deze liet
de uitspraak van de kantonrechter in stand. De kantonrechter had zijn
uitspraak deugdelijk gemotiveerd. Rechter beslist zelfstandig Loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. De werkgever moet deze belasting inhouden op het loon van de werknemer en afdragen aan de fiscus. Onder de loonbelasting valt al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten. Dat is meer dan alleen het contante loon. Als een werknemer bijvoorbeeld gratis of met korting aandelen in de werkgever verkrijgt, is dit voordeel belast. Een ander voorbeeld is de mogelijkheid voor werknemers om met personeelskorting een vakantiebungalow van de werkgever te gebruiken. Het betreft de zogenaamde naturavoordelen. Werknemers die in een auto van de zaak rijden en deze auto ook privé mogen gebruiken, genieten ook loon in natura. Dit wordt voor de loonbelasting echter buiten beschouwing gelaten en uitsluitend in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. Als een werknemer van een meubelfabriek meubels uit eigen bedrijf koopt tegen een lagere prijs dan de consumentenprijs, wordt dat niet altijd belast. Het Ministerie van Financiën heeft daar een officieel standpunt over ingenomen. Onder voorwaarden gaat de fiscus akkoord met een personeelskorting tot 20% van de waarde met een maximumbedrag aan korting van € 450 per jaar. Wordt dat maximum in een bepaald jaar niet gehaald dan mag het nog niet verbruikte bedrag worden meegenomen naar het volgende jaar of het jaar daarna. Gezien dit maximum zijn er voor werknemers van bijvoorbeeld autodealers maar beperkte mogelijkheden. Voor dergelijke dure producten kan het maximum eens per drie jaar worden gebruikt (totaal dus € 1.350). Een voorwaarde voor deze praktische regeling is dat het branche-eigenproducten betreft. Zo mag een melkfabriek aan zijn werknemers niet met korting kleding verkopen. De regeling geldt overigens ook voor producten van met de werkgever gelieerde bedrijven. Bij de bepaling van het kortingspercentage moet in principe van de detailhandelsverkoopprijs worden uitgegaan. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij een lagere waarde verdedigbaar is. Te denken valt aan uitverkoop en kwantumkortingen. Onder omstandigheden is ook het hanteren van de groothandelsprijs mogelijk. Personeel bij een bank krijgt meestal een rentekorting op hypotheken en persoonlijke leningen. Dit is uitgezonderd van de regeling. Dit betekent dat deze korting tot het loon moet worden gerekend. Maar als het gaat om een lening ter financiering van een eigen woning, kan deze component wel weer in aftrek worden gebracht op het aangifteformulier van de werknemer. Werkgevers moeten zorgvuldig met personeelskortingen omgaan
om naheffingen te vermijden. Zo moet nauwkeurig worden getoetst aan de
hiervoor genoemde criteria. Het gebruiken van het pensioenkapitaal voor de financiering van de onderneming is een belangrijke financieringsbron voor het MKB. Naar verluidt is het eigen pensioenkapitaal hiervoor qua omvang zelfs belangrijker dan bankkrediet. Het nadeel van deze handelwijze is dat het pensioenkapitaal zich in de risicosfeer bevindt. Gaat de BV failliet dan is in de praktijk ook het pensioenkapitaal weg. Als een BV voldoende liquiditeit kan vrijmaken, kan besloten worden het pensioenkapitaal bij een verzekeraar onder te brengen. Een alternatief is een eigen pensioen-BV. Deze fungeert dan als een soort van privé verzekeraar voor het oudedagspensioen en het weduwepensioen. Het is zaak dat de pensioen-BV voldoende rendement behaalt om de pensioenverplichtingen na te kunnen komen. Dit kan problematisch zijn als al te speculatief wordt belegd. Een voordeel van een pensioen-BV is dat bij vroegoverlijden van de directeur en zijn partner het resterende kapitaal niet toevalt aan de verzekeraar. De pensioen-BV moet weliswaar belasting betalen over deze “sterftewinst”. Maar wat er overblijft komt toe aan de erfgenamen. Hierover moet ook nog eens successiebelasting worden betaald. In het verleden waren trucs mogelijk om aan deze heffing te ontkomen. Dit deed men door de aandelen in de pensioen-BV te laten houden door de kinderen. Ook werd wel gewerkt met zogenaamde contraverzekeringen. Dit was een levensverzekeringscontract waardoor de “sterftewinst” van de pensioen-BV werd geneutraliseerd door een levensverzekeringsuitkering die de BV aan de kinderen moest doen. Ook dit werkt helaas niet meer. Dit neemt niet weg dat de pensioen-BV nog steeds bruikbaar is en ook nog steeds op grote schaal wordt gebruikt. Als alternatief voor de pensioen-BV wordt er soms voor gekozen
om de holding te gebruiken. Ook op deze manier kan een zekere afscherming
van het pensioenkapitaal van de risicosfeer worden bereikt. De economie wordt steeds internationaler. Sommigen noemen dat globalisering. Niet iedereen is daar even enthousiast over. Maar onder economen is het gemeengoed dat dit tot meer welvaart leidt. Internationalisatie brengt met zich mee dat steeds meer mensen voorgoed of tijdelijk in het buitenland gaan werken. Men krijgt dan te maken met andere belastingstelsels, met alle complicaties van dien. Als iemand z'n spulletjes bij elkaar pakt om zich met z'n gezin in het buitenland te gaan vestigen, komt aan de belastingplicht in Nederland in principe een einde. Hij blijft dan eventueel nog belastbaar voor in Nederland gelegen onroerend goed of bepaalde uitkeringen. Maar dat betreft een beperkte belastingplicht. Die situatie van (voorgoed) in het buitenland gaan werken is fiscaal gezien betrekkelijk eenvoudig. Zo iemand gaat gewoon onder de fiscale regels van het land van vestiging vallen. Stel dat iemand zijn gezin in Nederland achterlaat en tijdelijk in het buitenland gaat werken. Hoe zit het dan met de belastbaarheid. De hoofdregel van het internationale belastingrecht is dat werknemers daar belast zijn waar ze feitelijk werken. Degene die wordt uitgezonden naar het filiaal in Parijs, valt voor de desbetreffende periode onder de Franse belastingheffing. Dat kan praktische complicaties met zich meebrengen. Want wat dient er te gebeuren met de eindejaarsbonus als iemand zes maanden in Frankrijk en zes maanden in Nederland heeft gewerkt? Evenredig toerekenen lijkt het beste. Wat dient er te gebeuren als iemand in Nederland een ontslaguitkering ontvangt, terwijl hij juist tien jaar bij het hoofdkantoor in Amerika heeft gewerkt. Het lijkt dan redelijk de uitkering aan de Amerikaanse periode toe te rekenen. Maar de Nederlandse fiscus vindt in zo'n geval dat de uitkering in Nederland belast moet worden. Als iemand kort in het buitenland werkt zonder in dienst te zijn bij een in dat land gevestigde werkgever of filiaal van de werkgever, blijft belastingheffing in dat land veelal achterwege. De maximumperiode is hier doorgaans een half jaar, oftewel 183 dagen. Te denken valt aan gespecialiseerde technici die kortstondig overal ter wereld reparatiewerkzaamheden verrichten. De telling van de relevante dagen geeft in de praktijk de nodige problemen. Want wat doe je met vakantiedagen, feestdagen en ziektedagen? De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat moet worden uitgegaan van het aantal kalenderdagen minus het aantal weekeinden. Buitenlandse ziektedagen tellen gewoon mee. Dat bij kortstondige werkzaamheden belastingheffing in het buitenland achterwege blijft, betekent niet dat de desbetreffende inkomsten belastingvrij zijn. Deze inkomsten zijn dan gewoon in het woonland belastbaar. Het kan voor een werknemer aantrekkelijk zijn om in het buitenland belastbaar
te zijn. In feite wordt dan het totale salaris deels in Nederland en deels
in het buitenland belast. Men valt in het buitenland onder een relatief
laag tarief en profiteert mogelijk van vrijstellingen. Dit omdat de werknemer
in het buitenland maar voor een deel van zijn totale inkomsten belast
wordt. Het splitsen van de totale beloning over meerdere landen wordt
“split payroll” genoemd en is een populaire methode van taxplanning voor
internationaal opererende managers. Het maximum is € 396.054 als de ondernemer ten tijde van het staken 60 jaar of ouder is of voor 45% of meer arbeidsongeschikt is. Het maximum bedraagt € 198.031 als de ondernemer 50 jaar of ouder is of de lijfrenteuitkeringen onmiddellijk ingaan. In de overige gevallen is het maximum € 99.020. Bedacht moeten worden dat op deze bedragen verminderingen kunnen worden toegepast. Eén daarvan is het bedrag van de oudedagsreserve. We hebben het hier feitelijk niet over een vrijstelling van belasting, maar slechts over uitstel van belasting. De lijfrenteuitkeringen zijn namelijk belast. Doordat op de uitkeringen in de meeste gevallen een lager tarief van toepassing is, kan behalve uitstel ook besparing worden gerealiseerd. De ondernemer doet er verstandig aan de lijfrente niet bij de eerste de beste verzekeraar aan te schaffen. Het kan de moeite lonen een vergelijking te maken. Tegenwoordig kan men daarvoor ook op het internet terecht, bijvoorbeeld via independer.nl. Veel ondernemers hebben een zekere weerzin tegen het afstorten van een groot bedrag bij een verzekeraar. Het idee is dat bij vroeg overlijden het kapitaal vervalt aan de verzekeraar. Bedacht moet worden dat de uitkering meestal op twee levens is, te weten op die van de ondernemer zelf en die van zijn partner. De kans dat beiden vroeg overlijden is klein. Het is overigens mogelijk om in combinatie met de lijfrente een levensverzekering af te sluiten die het bedrag van het kapitaalverlies bij vroeg overlijden aan de erfgenamen uitkeert. Tegenover de kans op vroeg overlijden staat de kans dat men erg oud wordt. Dan is het plezierig te weten dat de verzekeraar blijft uitkeren. Als men de oudedag financiert met spaargeld, bestaat de kans dat het kapitaal op een gegeven moment uitgepunt is. Bij een verzekeraar is dit “lang-levenrisico” gedekt. Een ander voordeel van een verzekeraar is dat men niet in de verleiding kan komen het kapitaal te snel op te souperen. Veel werknemers hebben de afgelopen jaren de switch gemaakt naar het vrije ondernemerschap. Ze werken op projectbasis, veelal voor verschillende opdrachtgevers. Veel van dergelijke nieuwbakken ondernemers hebben geen personeel. Ze verhuren alleen zichzelf. Daarom worden ze ook wel “zelfstandige zonder personeel” genoemd (ZZP’er). Een zelfstandige valt niet onder de werknemersverzekeringen en op het gefactureerde honorarium hoeft de opdrachtgever geen loonbelasting in te houden. In de praktijk ligt het echter niet zo eenvoudig. Er zijn tal van situaties denkbaar waarin de “zelfstandige” zo afhankelijk is van één opdrachtgever, dat in feite van een dienstbetrekking sprake is. Het gebeurt regelmatig dat de UWV overgaat tot navordering van werknemersverzekeringspremies en de fiscus van loonbelasting. Hierbij kunnen ook boetes worden opgelegd. Deze onzekerheid is natuurlijk niet bevorderlijk voor het zakendoen. Met het oog hierop is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) geïntroduceerd. Hiermee verklaren fiscus en uitvoeringsinstelling dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap of van een dienstbetrekking. In de praktijk blijkt dit systeem echter niet goed te werken. Het UWV is namelijk van mening dat in een groot aantal gevallen pas achteraf kan worden vastgesteld of iemand werkelijk ondernemer is geweest of niet. Als iemand streeft naar meerdere opdrachtgevers, maar blijft hangen aan één, kan geen sprake zijn van zelfstandig ondernemerschap. Dat vindt althans het UWV. Op deze manier levert de VAR niet de rechtszekerheid waar de praktijk op zat te wachten. Het vreemde is dat van opdrachtgevers en opdrachtnemers wel wordt verwacht
dat zij van tevoren kunnen inschatten of sprake is van verzekeringsplicht
voor de werknemersverzekeringen. Op 29 april 2004 heeft de regering een wetsvoorstel aangekondigd om dit probleem op te lossen. De nieuwe wettelijke regeling moet op 1 januari 2005 ingaan. Op grond hiervan krijgt de ZZP’er het recht op zekerheid vooraf. Op lange termijn zal een meer fundamentele oplossing gevonden moeten worden. Deze zal waarschijnlijk inhouden dat de ZZP’er die redelijkerwijs het standpunt kan innemen dat hij zelfstandig is, een daartoe strekkende verklaring aflegt en tevens verklaart geen beroep te zullen doen op uitkeringen. Veel ondernemers die hun bedrijf beëindigen, sluiten een lijfrenteverzekering met een verzekeraar. Zij betalen bijvoorbeeld € 300.000 voor een levenslange uitkering van € 20.000 per jaar. De uitkering komt toe aan de ondernemer zelf en zijn partner. De uitkering gaat door totdat beiden zijn overleden. De verwerving van zo’n lijfrente heeft vaak een fiscale achtergrond. Het is een techniek om belastingheffing bij de staking van de onderneming te beperken of zelfs geheel te vermijden. Bij het afstorten van het kapitaal wordt de ex-ondernemer nogal eens door bepaalde angstgevoelens overvallen. Als je vroeg komt het overlijden is het kapitaal weg. De kinderen erven dan niets, althans niet het afgestorte kapitaal. Deze angstgevoelens kunnen te maken hebben met een pessimistische inschatting van de eigen levensverwachting. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat de ondernemer en zijn vrouw beiden door een auto-ongeluk of iets dergelijk het tijdige voor het eeuwige verruilen. Om dit risico van kapitaalverlies weg te nemen is de “contraverzekering” uitgevonden. Dit is een overlijdensrisicoverzekering op het leven van de ex-ondernemer en zijn partner. In de praktijk wordt vaak gekozen voor een aflopend kapitaal. Het kapitaalverlies is immers groter naarmate de verzekerden vroeger komen te overlijden. Met andere woorden, bij overlijden na twee jaar volgt een uitkering van bijvoorbeeld € 250.000, terwijl bij overlijden na, stel 10 jaar slechts € 125.000 wordt uitgekeerd. Hierdoor blijft de premie binnen de perken. De risicoverzekering wordt meestal afgesloten op het leven van de ex-ondernemer en zijn partner. Met andere woorden, beiden moeten zijn overleden, wil de contraverzekering tot uitkering komen. Ook dit beperkt de premie. Voor de verzekeraar brengt een contraverzekering weinig risico met zich mee. Daarom zouden verzekeraars de contraverzekering bij wijze van spreken wel gratis willen weggeven bij een lijfrente. Dat mag echter niet de van de fiscus. Voor de contraverzekering moet een reële premie in rekening gebracht worden. Wel is het zo dat verzekeraars soepel omgaan met gezondheidswaarborgen. Normaliter is het afsluiten van een risicoverzekering voor een oudere erg moeilijk. Bij een contraverzekering niet. Een medische keuring kan achterwege blijven, volstaan kan worden met een gezondheidsverklaring. De contraverzekering wordt dus eigenlijk afgesloten om kapitaalverlies voor de kinderen te voorkomen. Successietechnisch is het verstandig de kinderen de premie of de eenmalige koopsom voor deze verzekering te laten betalen. In dat geval kunnen zij de uitkering vrij van successiebelasting ontvangen. Of men een contraverzekering nodig vindt, moet de ex-ondernemer zelf beoordelen. De premie is weliswaar niet erg hoog, maar een paar duizend euro is toch ook niet niks. De Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) voorzag in een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor onder andere ondernemers en directeuren-aandeelhouders. De uitkering bedraagt 70% van het minimumloon, zeg maar bijstandsniveau. De wet die nog niet zo lang geleden is ingevoerd, wordt alweer afgeschaft. Ondernemers waren er niet over te spreken. Er was een wanverhouding tussen de hoogte van de premie en de aanspraken. Alleen ondernemers met lage winsten konden baat hebben bij de regeling. De dekking van de WAZ loopt tot 1 juli 2004. Zelfstandigen hoeven vanaf 1 januari 2004 geen premie meer te betalen, maar zijn in het eerste halfjaar van 2004 nog wel wettelijk verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. De wachttijd voor de uitkering bedraagt een jaar. Het voorgaande betekent dat er vanaf 1 juli 2005 geen nieuwe uitkeringsgerechtigden meer kunnen instromen. Degenen die op 1 juli 2005 een uitkering genieten, blijven deze overigens ontvangen. Veel zelfstandigen hebben een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In de meeste gevallen is het onverantwoord om zo’n verzekering achterwege te laten. Het risico is eenvoudigweg te groot. Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn echter wel vrij prijzig. Premies in de orde van grootte van € 5.000 zijn geen uitzondering. Bovendien vertonen de premies een stijgende tendens in verband met het toenemende risico. Steeds meer mensen raken namelijk arbeidsongeschikt. De hoogte van de premie is afhankelijk van de dekking. Hoe hoger de verzekerde uitkering, hoe hoger de premie. In veel polissen is bij de dekking rekening gehouden met uitkeringen ingevolgde de WAZ. Dankzij de WAZ kon immers met een geringere dekking wordt volstaan. Gezien de afschaffing van de WAZ zullen dergelijke verzekeringen vóór 1 juli 2004 moeten worden aangepast. Dat is natuurlijk niet verplicht. Men kan ook bewust kiezen voor de bestaande dekking. Dat kan verantwoord zijn bij een flink bedrag aan spaargeld en/of beleggingen. Verder is het denkbaar dat de kinderen inmiddels financieel op eigen benen staan, waardoor de zelfstandige minder inkomen nodig heeft. Veel zelfstandigen drijven de onderneming samen met de partner. Dat betekende dat beiden WAZ-premies moesten betalen en ook beiden verzekerd waren. Dat gaat dus veranderen. Zonodig moet bekeken worden of ook een (beperkte) arbeidsongeschiktheidsverzekering voor de partner wenselijk is. |
|||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||