Fiscaal Adviesbureau De Boer

 

 

 

                       Artikelen

Onderstaand treft u artikelen aan over de volgende onderwerpen:

Autobijtelling weer gewijzigd
Einde gemeenschap van goederen
'Gouden handdruk'-regeling
Loon in natura
Wat is een pensioen-BV?
Werken in het buitenland
Schadevergoeding van de fiscus
Het gevaar van de rekening-courant met de BV
Lijfrente bij beeindiging onderneming
De problematische positie van de ZZP-er
De contraverzekering
Afschaffing WAZ, wat nu ?



Autobijtelling weer gewijzigd

De laatste jaren heeft de regering flink aan de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak gesleuteld. Men wilde een fiscale rem op het privé-gebruik van de lease-auto. Dit gold zowel voor het gewone privé-gebruik als het gebruik voor woon-werkverkeer. Bij veel woon-werkverkeer werden de daarvoor afgelegde kilometers sinds 1 januari 2001 geheel of gedeeltelijk als privé-gebruik aangemerkt. Hierdoor werd de berijder van een auto van de zaak geconfronteerd met een hogere bijtelling. De regeling was nogal ingewikkeld.

Met ingang van 2001 is ook de bestelauto onder de bijtelling gebracht. Na luide protesten uit het bedrijfsleven is de regeling verzacht. Maar de regeling bleek te ingewikkeld om te kunnen worden gehandhaafd. Omdat de regering de administratieve lasten voor het bedrijfsleven wil beperken, krijgen we in 2004 een eenvoudiger regeling. Als tenminste de plannen doorgaan, hetgeen zeer waarschijnlijk is.

Wat gaat er allemaal veranderen? Allereerst wordt de regeling afgeschaft op grond waarvan woon-werkverkeer als privé-gebruik wordt aangemerkt. Dit brengt voor personen die ver van hun werk wonen en kunnen aantonen de auto niet of nauwelijks privé te gebruiken, weer de mogelijkheid met zich mee onder de bijtelling uit te komen.

Momenteel kent de wet voor personenauto's drie bijstellingspercentages: 15%, 20% en 25%. Met ingang van 2004 worden deze percentages vervangen door één percentage: 22%. De ingewikkelde regeling die gold voor bestelauto's komt te vervallen. Voor deze categorie auto's gaat in principe dezelfde regeling gelden als voor gewone auto's. Als de (bestel)auto aantoonbaar alleen voor woon-werkverkeer wordt gebruikt, blijft een bijtelling achterwege. Wordt de (bestel)auto ook privé gebruikt, dan geldt de bijtelling van 22% van de cataloguswaarde. Dit betekent een belangrijke vereenvoudiging. Wel zal de nieuwe wijziging weer de nodige onrust veroorzaken, omdat veel zakenautorijders hun fiscale positie opnieuw zullen willen bepalen. Zo blijf je bezig met taxplanning. Hopelijk blijven verdere wijzigingen voorlopig achterwege.

Over taxplanning gesproken, moet nog worden gewezen op het feit dat de onbelaste vergoeding voor zakelijk gereden kilometers met een privé-auto maximaal € 0,18 zal mogen bedragen. Deze bedraagt nu nog € 0,28. Dit is het slechte nieuws. Het goede nieuws is dat deze belastingvrije vergoeding voortaan ook mag worden gegeven voor woon-werkverkeer. De beperking tot een afstand van 30 kilometer wordt geschrapt. De verlaging van de onbelaste kilometervergoeding zal invloed kunnen hebben op de afweging of het fiscaal voordelig is in een auto van de zaak te rijden of in een privé-auto. Overleg dit zonodig met uw belastingadviseur.


Einde gemeenschap van goederen

Nederland is één van de weinige landen waar gemeenschap van goederen hoofdregel is. Voor personen die trouwen zonder via de notaris huwelijksvoorwaarden te hebben gemaakt, ontstaat gemeenschap van goederen. Dat wil zeggen, één gemeenschappelijk vermogen. Op deze manier kan men rijk worden zonder te werken en zonder de hoofdprijs in de lotto te winnen. De keerzijde is dat de rijke partner door te trouwen in gemeenschap van goederen gevolgd door echtscheiding de helft van zijn vermogen kwijtraakt.

In de zomer is een wetsvoorstel ingediend waardoor het vertrouwde systeem van gemeenschap van goederen een drastische wijziging zal ondergaan. Bedoeling is het oude systeem aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen en het gewijzigde rechtsgevoel. Hieronder stip ik enkele belangrijke punten aan.

Geen huwelijksvoorwaarden betekent ook in de nieuwe wet gemeenschap van goederen. Buiten de gemeenschap zal echter vallen hetgeen de partners bij het huwelijk hebben aangebracht en tijdens het huwelijk hebben geërfd of krachtens schenking hebben verkregen. Wil men hetgeen bij het huwelijk is aangebracht tot de gemeenschap later behoren, dan moet dit vóór het huwelijk in een notariële akte worden vastgelegd. Volgens het wetsvoorstel zijn de echtgenoten verplicht elkaar tijdens het huwelijks wederzijds te informeren over de stand van hun goederen en schulden.

Stel dat één van de partners een bedrag ter beschikking stelt aan de andere partner, die daarmee op eigen naam een woning koopt. Dan krijgt de andere partner een vergoedingsrecht dat gelijk is aan een evenredig deel van de waarde van de woning. Als de woning gemeenschappelijk wordt gekocht, krijgt de partner die meer heeft bijgedragen dan de andere partner voor het verschil een vergoedingsrecht van de ander. Dit zal wel enige administratieve arbeid noodzakelijk maken.

Een belangrijke wijziging betreft ook de gevolgen van faillissement van een huwelijkspartner. Momenteel trekt een partner die failliet gaat de ander met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd mee. Onder de nieuwe regels kunnen de schuldeisers van een partner zich slechts verhalen op zijn eigen vermogen plus op de helft van het gemeenschapsvermogen. Met andere woorden, de partner die niet failliet gaat, behoudt zijn/haar eigen vermogen en het aandeel in het gemeenschapsvermogen.

Niet duidelijk is wanneer het wetsontwerp precies in werking treedt. Dat zal nog wel enige tijd kunnen duren. Voor bestaande huwelijksgemeenschappen geldt een uitzondering op de nieuwe regel. Wat de partners hebben geërfd of geschonken gekregen valt daarbij in de gemeenschap. Omdat de meeste huwelijken nog steeds zonder huwelijksvoorwaarden worden aangegaan, raakt het wetsontwerp zeer velen.


‘Gouden handdruk'-regeling


Statutair bestuurders, met name van beursgenoteerde ondernemingen, bedingen bij de aanstelling in hun arbeidscontract vaak een regeling die de financiële gevolgen van een ontslag bij voorbaat vastlegt. Door de soms exorbitante omvang ervan hebben diverse van deze regelingen de laatste tijd het nieuws gehaald (bijvoorbeeld Moberg bij Ahold). Veel minder bekend is dat de kantonrechter bij ontslag helemaal niet gebonden is aan zo'n regeling.

Reeds in 1995 heeft de Hoge Raad bepaald dat, indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de rechter wordt gevraagd, deze een discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet een ontbindingsvergoeding (volgens de kantonrechterrichtlijn) toe te kennen. Het betrof een zaak waarbij de rechter de arbeidsovereenkomst had ontbonden van een werknemer en daarbij geen enkele vergoeding aan de werknemer had toegekend. En dit terwijl de werkgever zich wel bereid had verklaard om een vergoeding te betalen. De werknemer ging in cassatie bij de Hoge Raad, maar deze liet de uitspraak van de kantonrechter in stand. De kantonrechter had zijn uitspraak deugdelijk gemotiveerd.

Rechter beslist zelfstandig
In 2003 oordeelde de rechtbank over het ontslag van een statutair directeur. De arbeidsovereenkomst kende een ‘gouden handdruk'-regeling bij tussentijds ontslag. Het bedrijf waar de directeur werkzaam was, fuseerde met een ander bedrijf. En aansluitend werd de directeur op non-actief gesteld. De directeur vroeg zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst en maakte, onder verwijzing naar de financiële beëindigingregeling, aanspraak op 4,75 jaarsalaris. De rechtbank kende de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe, maar stelde de in de arbeidsovereenkomst opgenomen ‘gouden handdruk'-regeling terzijde. De rechter beriep zich op de hem toekomende discretionaire bevoegdheid en bepaalde dat de omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat de werknemer reeds in een vergevorderd stadium was met een andere baan, reden was om de toe te kennen vergoeding aanzienlijk lager vast te stellen.

Kortom, partijen kunnen van tevoren van alles afspreken over de (hoogte van de) vergoeding, maar de rechter beslist zelfstandig met inachtneming van de omstandigheden van het geval, waarbij de afgesproken beëindigingregeling één van de omstandigheden is waarmee de rechter rekening houdt.


Loon in natura

Loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelasting. De werkgever moet deze belasting inhouden op het loon van de werknemer en afdragen aan de fiscus. Onder de loonbelasting valt al hetgeen uit dienstbetrekking wordt genoten. Dat is meer dan alleen het contante loon. Als een werknemer bijvoorbeeld gratis of met korting aandelen in de werkgever verkrijgt, is dit voordeel belast. Een ander voorbeeld is de mogelijkheid voor werknemers om met personeelskorting een vakantiebungalow van de werkgever te gebruiken. Het betreft de zogenaamde naturavoordelen.

Werknemers die in een auto van de zaak rijden en deze auto ook privé mogen gebruiken, genieten ook loon in natura. Dit wordt voor de loonbelasting echter buiten beschouwing gelaten en uitsluitend in de heffing van inkomstenbelasting betrokken.

Als een werknemer van een meubelfabriek meubels uit eigen bedrijf koopt tegen een lagere prijs dan de consumentenprijs, wordt dat niet altijd belast. Het Ministerie van Financiën heeft daar een officieel standpunt over ingenomen. Onder voorwaarden gaat de fiscus akkoord met een personeelskorting tot 20% van de waarde met een maximumbedrag aan korting van € 450 per jaar. Wordt dat maximum in een bepaald jaar niet gehaald dan mag het nog niet verbruikte bedrag worden meegenomen naar het volgende jaar of het jaar daarna. Gezien dit maximum zijn er voor werknemers van bijvoorbeeld autodealers maar beperkte mogelijkheden. Voor dergelijke dure producten kan het maximum eens per drie jaar worden gebruikt (totaal dus € 1.350).

Een voorwaarde voor deze praktische regeling is dat het branche-eigenproducten betreft. Zo mag een melkfabriek aan zijn werknemers niet met korting kleding verkopen. De regeling geldt overigens ook voor producten van met de werkgever gelieerde bedrijven.

Bij de bepaling van het kortingspercentage moet in principe van de detailhandelsverkoopprijs worden uitgegaan. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij een lagere waarde verdedigbaar is. Te denken valt aan uitverkoop en kwantumkortingen. Onder omstandigheden is ook het hanteren van de groothandelsprijs mogelijk.

Personeel bij een bank krijgt meestal een rentekorting op hypotheken en persoonlijke leningen. Dit is uitgezonderd van de regeling. Dit betekent dat deze korting tot het loon moet worden gerekend. Maar als het gaat om een lening ter financiering van een eigen woning, kan deze component wel weer in aftrek worden gebracht op het aangifteformulier van de werknemer.

Werkgevers moeten zorgvuldig met personeelskortingen omgaan om naheffingen te vermijden. Zo moet nauwkeurig worden getoetst aan de hiervoor genoemde criteria.


Wat is een pensioen-BV?

Directeuren-grootaandeelhouders hebben het privilege dat zij hun pensioen in “eigen beheer” mogen opbouwen. Dit betekent dat zij vrijgesteld zijn van de verplichting om pensioenpremies te betalen aan een verzekeraar of pensioenfonds. Hierdoor kunnen zij het pensioenkapitaal blijven gebruiken voor de financiering van de onderneming. Dit terwijl wel recht bestaat op een fiscale aftrekpost in de BV.

Het gebruiken van het pensioenkapitaal voor de financiering van de onderneming is een belangrijke financieringsbron voor het MKB. Naar verluidt is het eigen pensioenkapitaal hiervoor qua omvang zelfs belangrijker dan bankkrediet. Het nadeel van deze handelwijze is dat het pensioenkapitaal zich in de risicosfeer bevindt. Gaat de BV failliet dan is in de praktijk ook het pensioenkapitaal weg. Als een BV voldoende liquiditeit kan vrijmaken, kan besloten worden het pensioenkapitaal bij een verzekeraar onder te brengen. Een alternatief is een eigen pensioen-BV. Deze fungeert dan als een soort van privé verzekeraar voor het oudedagspensioen en het weduwepensioen. Het is zaak dat de pensioen-BV voldoende rendement behaalt om de pensioenverplichtingen na te kunnen komen. Dit kan problematisch zijn als al te speculatief wordt belegd.

Een voordeel van een pensioen-BV is dat bij vroegoverlijden van de directeur en zijn partner het resterende kapitaal niet toevalt aan de verzekeraar. De pensioen-BV moet weliswaar belasting betalen over deze “sterftewinst”. Maar wat er overblijft komt toe aan de erfgenamen. Hierover moet ook nog eens successiebelasting worden betaald. In het verleden waren trucs mogelijk om aan deze heffing te ontkomen. Dit deed men door de aandelen in de pensioen-BV te laten houden door de kinderen. Ook werd wel gewerkt met zogenaamde contraverzekeringen. Dit was een levensverzekeringscontract waardoor de “sterftewinst” van de pensioen-BV werd geneutraliseerd door een levensverzekeringsuitkering die de BV aan de kinderen moest doen. Ook dit werkt helaas niet meer. Dit neemt niet weg dat de pensioen-BV nog steeds bruikbaar is en ook nog steeds op grote schaal wordt gebruikt.

Als alternatief voor de pensioen-BV wordt er soms voor gekozen om de holding te gebruiken. Ook op deze manier kan een zekere afscherming van het pensioenkapitaal van de risicosfeer worden bereikt.


Werken in het buitenland

De economie wordt steeds internationaler. Sommigen noemen dat globalisering. Niet iedereen is daar even enthousiast over. Maar onder economen is het gemeengoed dat dit tot meer welvaart leidt. Internationalisatie brengt met zich mee dat steeds meer mensen voorgoed of tijdelijk in het buitenland gaan werken. Men krijgt dan te maken met andere belastingstelsels, met alle complicaties van dien.

Als iemand z'n spulletjes bij elkaar pakt om zich met z'n gezin in het buitenland te gaan vestigen, komt aan de belastingplicht in Nederland in principe een einde. Hij blijft dan eventueel nog belastbaar voor in Nederland gelegen onroerend goed of bepaalde uitkeringen. Maar dat betreft een beperkte belastingplicht. Die situatie van (voorgoed) in het buitenland gaan werken is fiscaal gezien betrekkelijk eenvoudig. Zo iemand gaat gewoon onder de fiscale regels van het land van vestiging vallen.

Stel dat iemand zijn gezin in Nederland achterlaat en tijdelijk in het buitenland gaat werken. Hoe zit het dan met de belastbaarheid. De hoofdregel van het internationale belastingrecht is dat werknemers daar belast zijn waar ze feitelijk werken. Degene die wordt uitgezonden naar het filiaal in Parijs, valt voor de desbetreffende periode onder de Franse belastingheffing. Dat kan praktische complicaties met zich meebrengen. Want wat dient er te gebeuren met de eindejaarsbonus als iemand zes maanden in Frankrijk en zes maanden in Nederland heeft gewerkt? Evenredig toerekenen lijkt het beste. Wat dient er te gebeuren als iemand in Nederland een ontslaguitkering ontvangt, terwijl hij juist tien jaar bij het hoofdkantoor in Amerika heeft gewerkt. Het lijkt dan redelijk de uitkering aan de Amerikaanse periode toe te rekenen. Maar de Nederlandse fiscus vindt in zo'n geval dat de uitkering in Nederland belast moet worden.

Als iemand kort in het buitenland werkt zonder in dienst te zijn bij een in dat land gevestigde werkgever of filiaal van de werkgever, blijft belastingheffing in dat land veelal achterwege. De maximumperiode is hier doorgaans een half jaar, oftewel 183 dagen. Te denken valt aan gespecialiseerde technici die kortstondig overal ter wereld reparatiewerkzaamheden verrichten. De telling van de relevante dagen geeft in de praktijk de nodige problemen. Want wat doe je met vakantiedagen, feestdagen en ziektedagen? De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat moet worden uitgegaan van het aantal kalenderdagen minus het aantal weekeinden. Buitenlandse ziektedagen tellen gewoon mee. Dat bij kortstondige werkzaamheden belastingheffing in het buitenland achterwege blijft, betekent niet dat de desbetreffende inkomsten belastingvrij zijn. Deze inkomsten zijn dan gewoon in het woonland belastbaar.

Het kan voor een werknemer aantrekkelijk zijn om in het buitenland belastbaar te zijn. In feite wordt dan het totale salaris deels in Nederland en deels in het buitenland belast. Men valt in het buitenland onder een relatief laag tarief en profiteert mogelijk van vrijstellingen. Dit omdat de werknemer in het buitenland maar voor een deel van zijn totale inkomsten belast wordt. Het splitsen van de totale beloning over meerdere landen wordt “split payroll” genoemd en is een populaire methode van taxplanning voor internationaal opererende managers.


Schadevergoeding van de fiscus

De belastingdienst is overgegaan naar een ander computersysteem. De overgang is bepaald niet vlekkeloos
verlopen. Er is veel fout gegaan met (voorlopige) aanslagen en dergelijke. Bij een foutieve voorlopige aanslag moet de belastingbetaler actie ondernemen. Als hij zijn fiscale aangelegenheden door een accountant of belastingadviseur laat regelen, gaat dat met kosten gepaard.

Het is een algemeen beginsel van ons rechtssysteem dat de veroorzaker van schade deze ook moet dragen. Als u bij het inparkeren van de caravan het tuinhek van de buren ramt, zult u voor de schade moeten opdraaien. Dat geldt ook voor de belastingdienst die door foutief handelen een belastingbetaler op kosten jaagt. Aanvankelijk had de belastingdienst het idee zich hieraan te kunnen onttrekken. Maar diverse juridische procedures hebben duidelijk gemaakt dat ook de belastingdienst juridisch verantwoordelijk is voor zijn eigen fouten. Een voorbeeld was de Rijksdienst van het Wegverkeer die als gevolg van achterstanden naheffingaanslagen motorrijtuigenbelasting bleef sturen voor kentekens die al lang waren ingetrokken. De rechter kende per naheffingsaanslag een vergoeding toe van 175 gulden. Inmiddels gaat de belastingdienst betrekkelijk ruimhartig met kostenvergoeding om.

Van een andere orde zijn situaties waarin een standpunt van de fiscus door de belastingrechter wordt verworpen. Stel dat de belastingbetaler zich voor het voeren van de procedure heeft laten vertegenwoordigen door een belastingadviseur. De kosten kunnen makkelijk in de duizenden euro’s lopen. Wie betaalt die rekening? In de praktijk betaalt de belastingbetaler die rekening grotendeels zelf. De belastingrechter kan de fiscus weliswaar tot een vergoeding van proceskosten veroordelen. Maar niet de werkelijke kosten worden dan vergoed, maar een forfaitair vast te stellen bedrag. Dat gaat via een puntensysteem. In de praktijk is dat vaak maar een fractie van de werkelijke kosten. De belastingbetaler kan ook recht hebben op een vergoeding als de fiscus tijdens de procedure zijn ongelijk bekent zonder dat het tot een rechterlijke uitspraak komt.

Ook als de belastingdienst een bezwaarschrift honoreert, kan de belastingbetaler recht hebben op een kostenvergoeding. Hiervoor geldt eveneens een puntensysteem.

Sommige betalers claimen een kostenvergoeding niet uit gemakzucht of onwetendheid. Dat is jammer. Bedacht moet worden dat de belastingdienst, zoals iedereen, het meeste leert van fouten die geld kosten.


Het gevaar van de rekening-courant met de BV

Een ondernemer met een eenmanszaak haalt uit de kas wat hij nodig heeft voor zijn levensonderhoud. Of hij neemt het op van de zakelijke bankrekening. Er zijn ook ondernemers die geen aparte zakelijke bankrekening hebben. In dat geval moeten zakelijke en privé-uitgaven administratief gescheiden worden.

Bij hoge winsten kan het aantrekkelijk zijn de eenmanszaak om te zetten in een BV. De BV is een aparte rechtspersoon. De ondernemer wordt directeur-aandeelhouder. Hij moet met de BV een salaris afspreken. Als hij niet genoeg heeft aan het salaris, kan hij de BV een dividend laten uitkeren. Dat is althans de theorie. De praktijk is dat meeste directeuren-aandeelhouders het geld van de BV nog steeds beschouwen als hun eigen geld, net zoals bij de eenmanszaak. De accountant moet er dan voor zorgen dat het boekhoudkundig juist wordt verwerkt.

Wat de directeur-aandeelhouder teveel opneemt, wordt in rekening-courant verwerkt. De rekening-courant betreft de schuldpositie van de directeur-aandeelhouder jegens de BV. De directeur-aandeelhouder koopt voor zichzelf een jacht met geld van de BV. Of hij gaat op de verjaardag van zijn vrouw met haar uit eten en betaalt de rekening met de creditcard van de zaak. Dan ontstaat er een schuld van de directeur-aandeelhouder aan de BV. Over deze schuld moet een zakelijke rente worden berekend.

Het gevaar van deze gang van zaken is dat de schuldpositie jegens de BV uit de hand loopt. Veel gewone mensen hebben bij hun bank een rekening-courantfaciliteit gekoppeld aan de betaalrekening. Ze mogen bijvoorbeeld € 5.000 rood staan. Als men de limiet overschrijdt, weigert de bank verdere betalingen. Bij de BV wordt de soep niet zo heet gegeten. Dat is logisch, want het is dezelfde directeur die als vertegenwoordiger van de BV moet toezien op de schuld die hij bij de BV heeft. Waarom moeilijk doen over geld dat in feite van de directeur-aandeelhouder zelf is? Er kunnen crediteursbelangen in het geding zijn. Als de BV in financiële moeilijkheden raakt en de vordering op de directeur-aandeelhouder niet geïnd kan worden ter betaling van de schuldeisers, is er een probleem. Een ander mogelijk probleem ligt op fiscaal terrein. Bij een zodanige schuld aan de BV dat de directeur-aandeelhouder deze redelijkerwijs niet meer kan terugbetalen, neemt de fiscus aan dat er een dividend is uitgekeerd. Hierover moet 25% belasting worden betaald. Omdat er in feite een netto dividend is uitgekeerd, moet het worden gebruteerd. Dit betekent dat er 33 1/3% belasting op tafel moet komen.


Lijfrente bij beëindiging onderneming

Een ondernemer moet bij de beëindiging van zijn onderneming belasting betalen over de opgebouwde oudedagsreserve en gerealiseerde stille reserves en goodwill. Deze belaste bestanddelen vallen onder het gewone belastingtarief. Omdat zij bij het gewone inkomen worden opgeteld, zal vaak het toptarief van 52% verschuldigd zijn. Deze belastingheffing kan worden voorkomen of beperkt door een lijfrente aan te kopen. Dit kunt u vergelijken met een pensioen. Voor het omzetten van stille reserves en goodwill in een lijfrente gelden de volgende maxima.

Het maximum is € 396.054 als de ondernemer ten tijde van het staken 60 jaar of ouder is of voor 45% of meer arbeidsongeschikt is. Het maximum bedraagt € 198.031 als de ondernemer 50 jaar of ouder is of de lijfrenteuitkeringen onmiddellijk ingaan. In de overige gevallen is het maximum € 99.020. Bedacht moeten worden dat op deze bedragen verminderingen kunnen worden toegepast. Eén daarvan is het bedrag van de oudedagsreserve.

We hebben het hier feitelijk niet over een vrijstelling van belasting, maar slechts over uitstel van belasting. De lijfrenteuitkeringen zijn namelijk belast. Doordat op de uitkeringen in de meeste gevallen een lager tarief van toepassing is, kan behalve uitstel ook besparing worden gerealiseerd.

De ondernemer doet er verstandig aan de lijfrente niet bij de eerste de beste verzekeraar aan te schaffen. Het kan de moeite lonen een vergelijking te maken. Tegenwoordig kan men daarvoor ook op het internet terecht, bijvoorbeeld via independer.nl.

Veel ondernemers hebben een zekere weerzin tegen het afstorten van een groot bedrag bij een verzekeraar. Het idee is dat bij vroeg overlijden het kapitaal vervalt aan de verzekeraar. Bedacht moet worden dat de uitkering meestal op twee levens is, te weten op die van de ondernemer zelf en die van zijn partner. De kans dat beiden vroeg overlijden is klein. Het is overigens mogelijk om in combinatie met de lijfrente een levensverzekering af te sluiten die het bedrag van het kapitaalverlies bij vroeg overlijden aan de erfgenamen uitkeert.

Tegenover de kans op vroeg overlijden staat de kans dat men erg oud wordt. Dan is het plezierig te weten dat de verzekeraar blijft uitkeren. Als men de oudedag financiert met spaargeld, bestaat de kans dat het kapitaal op een gegeven moment uitgepunt is. Bij een verzekeraar is dit “lang-levenrisico” gedekt. Een ander voordeel van een verzekeraar is dat men niet in de verleiding kan komen het kapitaal te snel op te souperen.


De problematische positie van de ZZP’er

Veel werknemers hebben de afgelopen jaren de switch gemaakt naar het vrije ondernemerschap. Ze werken op projectbasis, veelal voor verschillende opdrachtgevers. Veel van dergelijke nieuwbakken ondernemers hebben geen personeel. Ze verhuren alleen zichzelf. Daarom worden ze ook wel “zelfstandige zonder personeel” genoemd (ZZP’er). Een zelfstandige valt niet onder de werknemersverzekeringen en op het gefactureerde honorarium hoeft de opdrachtgever geen loonbelasting in te houden. In de praktijk ligt het echter niet zo eenvoudig. Er zijn tal van situaties denkbaar waarin de “zelfstandige” zo afhankelijk is van één opdrachtgever, dat in feite van een dienstbetrekking sprake is. Het gebeurt regelmatig dat de UWV overgaat tot navordering van werknemersverzekeringspremies en de fiscus van loonbelasting. Hierbij kunnen ook boetes worden opgelegd.

Deze onzekerheid is natuurlijk niet bevorderlijk voor het zakendoen. Met het oog hierop is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) geïntroduceerd. Hiermee verklaren fiscus en uitvoeringsinstelling dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap of van een dienstbetrekking. In de praktijk blijkt dit systeem echter niet goed te werken. Het UWV is namelijk van mening dat in een groot aantal gevallen pas achteraf kan worden vastgesteld of iemand werkelijk ondernemer is geweest of niet. Als iemand streeft naar meerdere opdrachtgevers, maar blijft hangen aan één, kan geen sprake zijn van zelfstandig ondernemerschap. Dat vindt althans het UWV. Op deze manier levert de VAR niet de rechtszekerheid waar de praktijk op zat te wachten.

Het vreemde is dat van opdrachtgevers en opdrachtnemers wel wordt verwacht dat zij van tevoren kunnen inschatten of sprake is van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.
De angst van het UWV is dat iemand van wie altijd werd gedacht dat hij ondernemer was opeens een WW- of WAO-uitkering gaat claimen, terwijl geen premies zijn betaald. De werknemersverzekeringen zitten namelijk zo in elkaar dat er geen relatie hoeft te zijn tussen het daadwerkelijk betaald zijn van premies en uitkeringsrechten.

Op 29 april 2004 heeft de regering een wetsvoorstel aangekondigd om dit probleem op te lossen. De nieuwe wettelijke regeling moet op 1 januari 2005 ingaan. Op grond hiervan krijgt de ZZP’er het recht op zekerheid vooraf. Op lange termijn zal een meer fundamentele oplossing gevonden moeten worden. Deze zal waarschijnlijk inhouden dat de ZZP’er die redelijkerwijs het standpunt kan innemen dat hij zelfstandig is, een daartoe strekkende verklaring aflegt en tevens verklaart geen beroep te zullen doen op uitkeringen.


De contraverzekering

Veel ondernemers die hun bedrijf beëindigen, sluiten een lijfrenteverzekering met een verzekeraar. Zij betalen bijvoorbeeld € 300.000 voor een levenslange uitkering van € 20.000 per jaar. De uitkering komt toe aan de ondernemer zelf en zijn partner. De uitkering gaat door totdat beiden zijn overleden. De verwerving van zo’n lijfrente heeft vaak een fiscale achtergrond. Het is een techniek om belastingheffing bij de staking van de onderneming te beperken of zelfs geheel te vermijden.

Bij het afstorten van het kapitaal wordt de ex-ondernemer nogal eens door bepaalde angstgevoelens overvallen. Als je vroeg komt het overlijden is het kapitaal weg. De kinderen erven dan niets, althans niet het afgestorte kapitaal. Deze angstgevoelens kunnen te maken hebben met een pessimistische inschatting van de eigen levensverwachting. Maar het is natuurlijk ook mogelijk dat de ondernemer en zijn vrouw beiden door een auto-ongeluk of iets dergelijk het tijdige voor het eeuwige verruilen.

Om dit risico van kapitaalverlies weg te nemen is de “contraverzekering” uitgevonden. Dit is een overlijdensrisicoverzekering op het leven van de ex-ondernemer en zijn partner. In de praktijk wordt vaak gekozen voor een aflopend kapitaal. Het kapitaalverlies is immers groter naarmate de verzekerden vroeger komen te overlijden. Met andere woorden, bij overlijden na twee jaar volgt een uitkering van bijvoorbeeld € 250.000, terwijl bij overlijden na, stel 10 jaar slechts € 125.000 wordt uitgekeerd. Hierdoor blijft de premie binnen de perken. De risicoverzekering wordt meestal afgesloten op het leven van de ex-ondernemer en zijn partner. Met andere woorden, beiden moeten zijn overleden, wil de contraverzekering tot uitkering komen. Ook dit beperkt de premie.

Voor de verzekeraar brengt een contraverzekering weinig risico met zich mee. Daarom zouden verzekeraars de contraverzekering bij wijze van spreken wel gratis willen weggeven bij een lijfrente. Dat mag echter niet de van de fiscus. Voor de contraverzekering moet een reële premie in rekening gebracht worden. Wel is het zo dat verzekeraars soepel omgaan met gezondheidswaarborgen. Normaliter is het afsluiten van een risicoverzekering voor een oudere erg moeilijk. Bij een contraverzekering niet. Een medische keuring kan achterwege blijven, volstaan kan worden met een gezondheidsverklaring.

De contraverzekering wordt dus eigenlijk afgesloten om kapitaalverlies voor de kinderen te voorkomen. Successietechnisch is het verstandig de kinderen de premie of de eenmalige koopsom voor deze verzekering te laten betalen. In dat geval kunnen zij de uitkering vrij van successiebelasting ontvangen.

Of men een contraverzekering nodig vindt, moet de ex-ondernemer zelf beoordelen. De premie is weliswaar niet erg hoog, maar een paar duizend euro is toch ook niet niks.


Afschaffing WAZ, wat nu?

De Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) voorzag in een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor onder andere ondernemers en directeuren-aandeelhouders. De uitkering bedraagt 70% van het minimumloon, zeg maar bijstandsniveau. De wet die nog niet zo lang geleden is ingevoerd, wordt alweer afgeschaft. Ondernemers waren er niet over te spreken. Er was een wanverhouding tussen de hoogte van de premie en de aanspraken. Alleen ondernemers met lage winsten konden baat hebben bij de regeling.

De dekking van de WAZ loopt tot 1 juli 2004. Zelfstandigen hoeven vanaf 1 januari 2004 geen premie meer te betalen, maar zijn in het eerste halfjaar van 2004 nog wel wettelijk verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. De wachttijd voor de uitkering bedraagt een jaar. Het voorgaande betekent dat er vanaf 1 juli 2005 geen nieuwe uitkeringsgerechtigden meer kunnen instromen. Degenen die op 1 juli 2005 een uitkering genieten, blijven deze overigens ontvangen.

Veel zelfstandigen hebben een arbeidsongeschiktheidsverzekering. In de meeste gevallen is het onverantwoord om zo’n verzekering achterwege te laten. Het risico is eenvoudigweg te groot. Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn echter wel vrij prijzig. Premies in de orde van grootte van € 5.000 zijn geen uitzondering. Bovendien vertonen de premies een stijgende tendens in verband met het toenemende risico. Steeds meer mensen raken namelijk arbeidsongeschikt.

De hoogte van de premie is afhankelijk van de dekking. Hoe hoger de verzekerde uitkering, hoe hoger de premie. In veel polissen is bij de dekking rekening gehouden met uitkeringen ingevolgde de WAZ. Dankzij de WAZ kon immers met een geringere dekking wordt volstaan. Gezien de afschaffing van de WAZ zullen dergelijke verzekeringen vóór 1 juli 2004 moeten worden aangepast. Dat is natuurlijk niet verplicht. Men kan ook bewust kiezen voor de bestaande dekking. Dat kan verantwoord zijn bij een flink bedrag aan spaargeld en/of beleggingen. Verder is het denkbaar dat de kinderen inmiddels financieel op eigen benen staan, waardoor de zelfstandige minder inkomen nodig heeft.

Veel zelfstandigen drijven de onderneming samen met de partner. Dat betekende dat beiden WAZ-premies moesten betalen en ook beiden verzekerd waren. Dat gaat dus veranderen. Zonodig moet bekeken worden of ook een (beperkte) arbeidsongeschiktheidsverzekering voor de partner wenselijk is.

© 2003 Fiscaal Adviesbureau De Boer en Bedrijvenweb Nederland BV