parkeerkosten

Parkeerkosten: hoe verantwoordt u die bij de belasting ?

Hoeveel geld spendeert u maandelijks aan zakelijk parkeren? Stelt u zich voor dat u iedere week vijf euro spendeert aan zakelijk parkeren, dan lopen de kosten al snel aardig op!

Het is zonde om deze voor eigen rekening te nemen; als ZZP’er mag u parkeerkosten namelijk altijd in uw administratie verwerken. Dit drukt de winst, waardoor u minder inkomstenbelasting betaalt. Het kost wat moeite, maar u bespaart er zeker heel wat euro’s mee. Doe er uw voordeel mee!

 BTW op parkeerkosten

Parkeerkosten in de administratie opnemen scheelt al een slok op een borrel, maar in sommige gevallen mag u óók de BTW op parkeerkosten terugvragen. Waar ‘m dat in zit? Waar u uw auto neerzet. De BTW op parkeerkosten in parkeergarages mag u altijd terugvorderen in uw omzetbelastingaangifte. Parkeert u uw auto op straat? Dan zijn de kosten voor de parkeermeter wél voor eigen rekening. Dit komt doordat BTW op commerciële diensten teruggevorderd mag worden bij de Belastingdienst, in tegenstelling tot BTW op niet-commerciële diensten.

Betaalde parkeerplaatsen op straat zijn in beheer van de gemeente, omdat de overheid géén commerciële instelling is mag u de BTW op dergelijke parkeerkosten niet terugvorderen. Parkeergarages zijn vaak commerciële instanties, met een ondernemer aan het roer. BTW mag u dan altijd terugvragen.

alimentatie

Afbouw voordeel fiscale aftrekposten (o.a. alimentatie)

Volgens het Belastingplan 2019 wijzigen – per 2023 – de tarieven van bepaalde aftrekposten. Zaken zoals alimentatie en giften kunnen vanaf dat moment alleen nog maar in aftrek gebracht worden tegen het lage tarief van de eerste schijf (37,05%), en niet meer tegen het toptarief van 49,5%. Vanaf 1 januari 2020 zal de aftrek worden afgebouwd.

Omdat tussen beide tarieven een verschil is van ruim 12 procent, kan deze wijziging fors effect hebben op inkomens. Vooral in het geval van alimentatie. Daarom wordt er in nieuwe situaties rekening gehouden met het verminderde belastingvoordeel, bij het vaststellen van de alimentatienormen. Krijgt u in een bestaande situatie last van de gewijzigde aftrekposten? Dan kan dat een reden zijn om uw afspraken te herzien.

Voor fiscaal advies staan wij u uiteraard graag bij. Voor herziening van bestaande regelingen heeft u een mediator, advocaat of rechter nodig.

bedrijfsopvolgingsfaciliteit

Kabinet repareert bedrijfsopvolgingsfaciliteit SW

Dit jaar oordeelde de Hoge Raad dat de verkrijger van een klein (minder dan 5%) indirect belang van een erflater of schenker. Dit doen ze op grond van de vermogensetikettering onder voorwaarden toch in aanmerking komt voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet (SW). Deze faciliteit is bijvoorbeeld ook van toepassing als het houden van dat geringe belang past binnen de ondernemingsactiviteiten van de holding en het belang op grond van de regels van vermogensetikettering wordt gezien als een bedrijfsmiddel.

Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad in beginsel ook beleggingsvermogen onder het bereik van de BOF en de doorschuifregelingen in de Wet inkomstenbelasting gebracht. Neem contact met ons op als u meent dat u met deze situatie te maken hebt gehad. Maar let op, in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2017 heeft het kabinet reparatiemaatregelen opgenomen.

Daardoor zal een indirect belang van minder dan 5% in beginsel, net als directe belangen van minder dan 5%, niet onder de bedrijfsopvolgingsfaciliteit vallen.

Gevolgen

De gevolgen van het arrest van de Hoge Raad worden gerepareerd met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2016, 0.00 uur.

crisisheffing

Rechtbank accepteert crisisheffing

Opnieuw heeft een belastingrechter geoordeeld dat de crisisheffing geen individuele en buitensporige last voor de desbetreffende werkgever vormde. Het ging hier om een voetbalclub die in verband met de lonen die haar werknemers in 2012 en 2013 hadden genoten voor zover dat meer bedroeg dan € 150.000 per werknemer in deze zaak in 2013 € 1.443.564 aan pseudo-eindheffing was verschuldigd.

In 2014 moest de voetbalclub € 1.355.392 aan crisisheffing betalen. Rechtbank Gelderland vond deze heffing niet in strijd met het wettelijke systeem en het discriminatiebeginsel. Ook was geen sprake van een individuele en buitensporige last. Hoewel de voetbalclub in de desbetreffende boekjaren een sterk negatief resultaat had geleden, was dat voor een groot deel niet het rechtstreekse gevolg van de crisisheffing. De crisisheffing bedroeg 6,1% (2013) en 5,8% (2014) van de totale loonsom.

Hoog, maar op zichzelf niet excessief, aldus de rechtbank. De club wist onvoldoende aannemelijk te maken dat zij de last niet kon dragen en daardoor ook in de toekomst ernstig in haar bedrijfsvoering zou worden geschaad.

Pensioenopbouw deeltijdwerkers

Als een werknemer in deeltijd werkt, moet zijn werkgever een deeltijdfactor toepassen op het maximum pensioengevend loon (€ 101.519 in 2016). Sommige deeltijdwerkers hebben verschillende deeltijdbanen waardoor zij in totaal over het maximum pensioengevend loon hun pensioen opbouwen. Maar sommige deeltijdwerkers blijven onder het maximum zitten zodat hun pensioen is gebaseerd op een afgetopt pensioengevend loon dat lager is dan het maximum.

Voor deze werknemers had de Eerste Kamer een additionele fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw via de werkgever voorgesteld. Deze faciliteit zou deeltijders meer fiscale ruimte voor pensioenopbouw moeten bieden dan nu mogelijk is volgens de Wet op de loonbelasting 1964. De staatssecretaris van Financiën heeft echter laten weten dat hij het voorstel vanuit uitvoeringsperspectief niet realistisch vindt. Zo zou de Belastingdienst toezicht moeten houden op het niveau van de belastingplichtige in plaats van dat dit vooraf getoetst kan worden in de pensioenregeling.

Zo’n wijziging vereist het opzetten van nieuwe informatiestromen naar de Belastingdienst. Ook vindt de staatssecretaris dat het voorstel aanvullende en complexe wetgeving vereist om te voorkomen dat samenloop ontstaat in de opbouw van (bruto)pensioen, aanvullende oudedagsvoorzieningen in privé of nettopensioen of nettolijfrente.

kapitaalverzekering

Versoepeling tijdklem kapitaalverzekering eigen woning

In bepaalde gevallen kan men op grond van overgangsrecht een vrijstelling voor de inkomstenbelasting toepassen op een uitkering van een kapitaalverzekering eigen woning. Deze vrijstelling geldt onder voorwaarden ook voor uitkeringen van een spaarrekening eigen woning, een beleggingsrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning.

Een belangrijke voorwaarde is dat gedurende minstens vijftien jaar (twintig jaar voor een hogere vrijstelling) jaarlijks premie is ingelegd of bedragen zijn overgemaakt. Deze voorwaarde staat ook bekend als de tijdklem. In sommige situaties kunnen mensen daar niet aan voldoen. In de overige fiscale maatregelen 2017 wordt een beleidsbesluit gecodificeerd, zodat men in bepaalde gevallen mag overgaan tot een vervroegde afkoop.

Deze uitzonderingssituaties zijn: beëindiging partnerschap, schuldhulpverlening en verkoop van de woning als op dat moment nog steeds of opnieuw een eigen woning ter beschikking staat. Wie de lasten van zijn woning (binnen afzienbare tijd) niet meer kan of zal kunnen voldoen, mag ook eerder afkopen.

 

Bij goedkoper gaan wonen, blijft bovendien de oude vrijstelling gelden.

 

 

monumenten

Afschaffing aftrek onderhoud monumenten in 2017

Op Prinsjesdag 2016 heeft het kabinet een wetsvoorstel gepresenteerd dat onder meer de afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden per 1 januari 2017 omvat. Het gaat hier om de huidige regeling waardoor particuliere eigenaren van rijksmonumenten onder voorwaarden 80% van de onderhoudskosten kunnen aftrekken als onderdeel van de persoonsgebonden aftrek. Hierbij maakt het niet uit of het gaat om een eigen woning of om een woning in box 3.

Eigenaren van rijksmonumenten die al onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan, kunnen een tegemoetkoming verwachten in de vorm van een niet-fiscale overgangsregeling voor 2017 en 2018 ter waarde van € 32 miljoen per jaar.

Monumentenpand

Vanaf 2019 zal hetzelfde jaarlijkse bedrag structureel worden ingezet binnen een herijkt financieringsstelsel voor monumentenzorg. Bezit u een monumentenpand, neem dan contact met ons op om erachter te komen hoe u het beste op deze maatregelen kunt anticiperen.

 

WOZ-waarde

WOZ-waarde woning is waarde tijdens koop

De Hoge Raad hakte 29 januari een belangrijke knoop door voor de bepaling van de WOZ-waarde van de eigen woning en andere onroerende zaken. De koopprijs van een woning moet worden gelijkgesteld aan de waarde van de woning op het tijdstip van de koop. Dit is vooral relevant als tussen koop en levering een langere periode zit en eventueel de peildatum passeert. Uit overweging van uitvoerbaarheid mag men in beginsel toch wel uitgaan van het tijdstip van levering als aan twee voorwaarden is voldaan. De eerste is dat bij de koop een zakelijke prijs is overeengekomen. De tweede voorwaarde luidt dat niet meer dan drie maanden zijn verstreken tussen de koopovereenkomst en de levering. Bij bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken. In dat geval ligt de bewijslast bij de partij die bijzondere omstandigheden stelt.

Urencriterium voor ondernemersfaciliteiten

 Voor de zelfstandigenaftrek, de speur- en ontwikkelingsaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve geldt een urencriterium. Minimaal 1.225 uren moeten in een kalenderjaar zijn besteed aan de onderneming en ook nog eens minimaal 50% van de beschikbare tijd.

Voor startende ondernemers geldt een soepeler urencriterium doordat de 50%-eis niet geldt. Startende ondernemers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben genoeg aan 800 ondernemingsuren om te voldoen aan het urencriterium.

Deeltijdondernemers, die naast hun onderneming een dienstbetrekking hebben, zullen doorgaans niet kunnen voldoen aan het urencriterium. Rechtbank Den Haag heeft beslist dat de reistijd die is gemaakt voor de dienstbetrekking, niet meetelt voor de uren die voor de dienstbetrekking worden gemaakt, maar Hof Den Haag besliste daarna dat die uren wel meetellen. De Hoge Raad moet hier nog over beslissen. Deeltijdondernemers kunnen zich voorlopig op het standpunt stellen dat de reistijd van de dienstbetrekking niet meetelt voor de uren van de dienstbetrekking. Hierdoor zullen zij iets gemakkelijker kunnen voldoen aan het urencriterium.

Ondernemers die twee jaar achter elkaar niet voldoen aan het urencriterium, moeten de oudedagsreserve belast laten afnemen met het bedrag van de oudedagsreserve dat hoger is dan het ondernemingsvermogen.